Dunnevezel-neuropathie

Dunnevezel-neuropathieDunne vezel neuropathie dunnevezel

 

  1. Dunne zenuwvezels
  2. Diagnostiek en symptomen;
  3. Oorzaken;
  4. Behandeling

 

1. Dunne zenuwvezels

Dunnevezel-neuropathie wordt nog maar kort onderzocht. Daardoor weten we nog maar weinig over deze neurologische ziekte. In Nederland doet voornamelijk het Universitair Pijn Centrum Maastricht (UPCM) systematisch onderzoek naar dunnevezel-neuropathie.

1.1. Aandoening

Dunnevezel-neuropathie is een aandoening aan de uiteinden van de dunne zenuwvezels. Meer specifiek: de dunne gemyeliniseerde (A-delta) en niet-gemyeliniseerde C-vezels. Deze lopen tot vlak onder de huid en het zijn de dunste zenuwvezels die een mens heeft.

Dunne zenuwvezels zijn verantwoordelijk voor de tastzin en het voelen van pijn. Ook sturen ze sommige ‘autonome’ lichamelijke processen aan, zoals de bloeddruk en zweten.

Onderzoek in Zuid-Limburg, liet zien dat in Nederland 5.3 mensen per 10.000 inwoners last heeft van dunnevezel-neuropathie. In totaal zou het dan in Nederland om zo’n 10000 patiënten met deze aandoening gaan. Jaarlijks komen daar zo’n 2000 patiënten bij waaronder relatief veel oudere mensen en mannen – bij jongeren en vrouwen wordt de diagnose minder vaak gesteld.

 

2. Diagnostiek en symptomen

2.1. Diagnostiek

Dunnevezel-neuropathie wordt vaak over het hoofd gezien door artsen. Hiervoor bestaan tenminste twee redenen. Allereerst zijn de klachten heel divers – ze kunnen van persoon tot persoon verschillen. En ten tweede is standaard neurologisch onderzoek niet toereikend. Om dunnevezel-neuropathie vast te stellen, moet namelijk specifiek onderzoek worden gedaan naar de A-delta en dunne C-vezels. Daarvoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk, te weten:

  • Uitgebreid algemeen lichamelijk en neurologisch onderzoek – in dit geval bedoeld om andere oorzaken uit te sluiten;
  • Temperatuurgeleidingsonderzoek (meer informatie hierover vind je op de pagina over diagnostiek);
  • Een huidbiopsie – een onderzoek waarbij een klein stukje huid wordt uitgenomen. Op die manier kan het aantal dunne zenuwvezels worden vastgesteld. Bij mensen met dunnevezel-neuropathie is het aantal dunne zenuwvezels aanzienlijk lager;
  • Testen van het rimpelen van de huid  door de handen onder te dompelen met water of in te smeren met een bepaalde crème. Als de dunne zenuwvezels aangedaan zijn, zal de huid minder rimpelen.

Overigens wordt aangeraden bij DVN te screenen op zogenaamde ‘onderliggende oorzaken‘.

2.2. Symptomen en verloop

Kenmerkend voor dunnevezel-neuropathie zijn zenuwpijn/gevoelsstoornissen (aanraking of temperatuur) in combinatie met één of meer ‘autonome klachten’.

Smptomen dunnevezel-neuropathie

Veel voorkomende symptomen zijn:

  • een voortdurende brandende, schietende, tintelende of prikkende pijn in handen en/of voeten. Deze klachten kunnen overigens ook optreden in de vorm van aanvallen;
  • Pijn bij het aanraken van warme of koude dingen en jeuk;
  • Pijn bij aanraking van de lichaamsdelen die zijn aangedaan;
  • gevoelsstoornissen: verminderd gevoel voor warmte; kou en pijnprikkels (wat niet betekent dat geen zenuwpijn meer wordt gevoeld.;
  • maag- en darmklachten (diarree en/of obstipatie);
  • ‘rusteloze benen’;
  • seksuele stoornissen – impotentie; problemen met de ejaculatie (mannen) of een droge vagina (vrouwen);
  • overmatig of juist sterk verminderd transpireren;
  • bloeddrukschommelingen (lage bloeddruk bij het opstaan);
  • hartkloppingen;
  • droge ogen of mond;

Er is nog maar weinig bekend over het verloop van dunnevezel-neuropathie. Soms blijven de klachten stabiel of nemen ze af. Helaas zijn er ook patiënten bij wie de aandoening min of meer progressief is: de klachten nemen dan verder toe.

 

3. Oorzaken

Dunnevezel-neuropathie wordt het meest vastgesteld bij mensen met diabetes. Daarnaast kunnen alcohol; drugs en andere giftige stoffen leiden tot dunnevezel-neuropathie. Ook aandoeningen zoals bepaalde afwijkingen in het immuunsysteem; sarcoïdose en infecties zoals hiv en hepatitis-C veroorzaken soms dunnevezel-neuropathie.

Onlangs werd bij 29% van een groep patiënten  een erfelijke oorzaak gevonden. Mensen met deze erfelijke variant van dunnevezel-neuropathie hebben een defect (‘mutatie’) in het SCN9A-gen of SCN10A-gen. Bij hen blijven de natriumkanalen (zoutkanalen) in de dunne zenuwvezels te lang open staan. Een zenuwcel bevat duizenden van deze natriumkanalen. Zo’n natriumkanaal is in staat om natriumdeeltjes door te laten of juist te blokkeren.

Als de natriumkanalen niet goed meer functioneren gaan deze onregelmatig ‘vuren’. Dit wordt natriumkanalopathie  genoemd. Het gevolg daarvan is dat autonome klachten en/of (heftige) pijnklachten ontstaan. Ook vermindering van gevoel komt voor. Meer informatie over natriumkanalopathie vind je op de website van het Spierziekten Centrum Maastricht.

 

4. Behandeling

Dunne zenuwvezels dunnevezel-neuropathieHoewel dunnevezel-neuropathie ongeneeslijk is, wordt hard gewerkt aan nieuwe behandelingen. Vermindering van de pijnklachten is daarbij doorgaans het belangrijkste doel.

4.1 Pijnmedicatie

Zoals altijd bij neuropathie moet zo mogelijk de onderliggende oorzaak worden aangepakt. Helaas is de oorzaak van dunnevezel-neuropathie in ongeveer 30% van de gevallen onbekend.

De behandeling van dunnevezel-neuropathie bestaat doorgaans uit het bestrijden van de pijn. Dat kan zowel met medicijnen als met pijnmanagement. Als voor medicatie wordt gekozen, is een antidepressivum vaak de eerste keuze. Als dit onvoldoende resultaat geeft, wordt aanvullend vaak een medicijn voorgeschreven dat ook helpt tegen epilepsie.

Bij pijn als gevolg van hiv-gerelateerde neuropathie werkt lamotrigine soms goed. Daarnaast kunnen medicinale cannabis en capsaïcine (pleisters) van dienst zijn. Behalve tegen hiv-gerelateerde neuropathie, kan medicinale cannabis ook helpen tegen andere vormen van zenuwpijn.

Bij plotselinge verergering van de pijn kan tramadol helpen. Soms worden ook sterke opiaten voorgeschreven. De meeste artsen zijn hierin terughoudend in verband met de kans op verslaving.

4.2. Natriumkanaalblokkers

Mensen met (de erfelijke variant van) dunnevezel-neuropathie, zijn mogelijk gebaat bij medicijnen die bepaalde natriumkanalen blokkeren. Het probleem van deze middelen is dat ze vervelende bijwerkingen kunnen geven. Daarom doet het Spierziekten Centrum Maastricht op dit moment onderzoek naar lacosamide.

Lacomaside vermindert de overactiviteit van onder meer het Nav1.7 natriumkanaal. Deze kanalen komen met name voor in de dunne zenuwvezels en spelen een belangrijke rol bij het verwerken van pijn. Mocht het middel bij deze groep proefpersonen goed werken, dan kunnen in de toekomst wellicht ook mensen met andere vormen van (dunnevezel-)neuropathie profiteren van dit medicijn.

4.3 Immunoglobulinen

Het Spierziekten Centrum Maastricht doet ook onderzoek naar immunoglobulinen. Deze antistoffen zijn eiwitten die het lichaam aanmaakt als het wordt ‘aangevallen’ door lichaamsvreemde indringers. Onderzocht wordt of deze eiwitten – indien toegediend middels een infuus – werkzaam zijn tegen dunnevezel-neuropathie (bron).

4.4. Neurostimulator

Momenteel wordt ook onderzoek gedaan naar het effect van een neurostimulator bij mensen met dunnevezel-neuropathie.  Dit is een elektrode die in de rug rug wordt geplaatst en dat het ruggenmerg stimuleert. Op die manier worden de pijnprikkels overstemd die het gevolg zijn van dunnevezel-neuropathie. Wil je meer weten over dit onderwerp? Kijk dan eens op de pagina over neurostimulatie.

4.5. Pijnmanagement

Psychologische en psychiatrische begeleiding kan deel uitmaken van de behandeling. Bijvoorbeeld omdat een depressie behandeld moet worden of om beter met chronische zenuwpijn om te leren gaan. Meer hierover op de pagina over pijnmanagement.

 

Reacties zijn gesloten.